Leerhuis – Alex van Heusden

Kaart wordt geladen...

Datum/Tijd
Datum - 12/12/2019
19:00 - 21:30

Locatie
Ontmoetingskerk

Categorieën


Driestromenland Joden, christenen en moslims – 1219-1546 (2)
De ontdekking van de Oudheid: Renaissance en humanisme

Leerhuis SOVE 12 december 2019

 Aboe I-Walid Muhammad ibn Achmad ibn Muhammad ibn Roesjd (Averroës; 1126-1198),

Fasl al-Maqal / Het beslissende woord: waarin wordt vastgesteld hoe nauw geloof en wetenschap met elkaar verbonden zijn

Opdracht tot bestudering van de schepping
Wat ik hier ga zeggen heeft tot doel om op basis van onderzoek van de godsdienstige Wet (shar‘i) te bekijken of de studie van de filosofie (falasifa) en de logische wetenschappen in godsdienstig opzicht geoorloofd, verboden dan wel opgelegd is, hetzij in de vorm van een aanbeveling, of als een verplichting.
Ik zeg: laten we als uitgangspunt nemen dat het beoefenen van filosofie niets anders is dan alle dingen die bestaan te bestuderen en daarover na te denken, vanuit de optiek dat ze een verwijzing vormen naar hun Maker, dat wil zeggen vanuit het gezichtspunt dat het om dingen gaat die gemaakt zijn. Alle dingen die bestaan verwijzen immers naar hun Maker doordat men kennis kan nemen van de manier waarop ze gemaakt zijn, en naarmate we daar meer over te weten komen, komen we ook meer te weten over de Maker zelf. Als de heilige tekst het nadenken over de dingen die bestaan, aanbeveelt en daartoe aanspoort, dan is het evident dat de activiteit waar het woord ‘filosofie’ naar verwijst óf door de heilige tekst verplicht wordt gesteld, óf aanbevolen.

Thomas van Aquino (ca. 1225-1274), Summa contra gentiles/Tegen de heidenen Boek 1
2.3 Optreden tegen individuele dwalingen, is een moeilijke zaak, en wel om twee redenen. Ten eerste is dit moeilijk omdat de ontheiligende opmerkingen van afzonderlijke mensen die dwaalden ons niet zo goed bekend zijn dat wij zomaar gebruik kunnen maken van hun uitspraken als basis om hun dwalingen te bestrijden. Dit was wel de methode die de oude kerkleraren hebben toegepast om de dwalingen van de heidenen (gentiles) te bestrijden. Want zij waren op de hoogte van de standpunten die de heidenen hadden ingenomen, omdat zij zelf heidenen waren geweest of in elk geval onder de heidenen hadden geleefd en in hun doctrines waren onderwezen.
Ten tweede is dit moeilijk omdat sommigen van hen, zoals de mohammedanen en andere heidenen (Mahumetistae et Pagani), het gezag van enige schriftuur niet aanvaarden, waardoor zij van hun dwaling overtuigd kunnen worden. Kijk, tegen de Joden zijn wij in staat om te argumenteren met het Oude Testament in de hand, tegen de ketters (haereticos) met het Nieuwe Testament, maar die daar [de moslims en de andere heidenen] aanvaarden geen ven beide. Daarom moeten wij onze toevlucht nemen tot de natuurlijke rede (naturalis ratio), die allen gedwongen zijn bij te vallen. Intussen is het waar dat in goddelijke zaken de natuurlijke rede zijn gebreken vertoont.
4 Nu, als wij een of andere gegeven waarheid gaan onderzoeken, zullen we ook aantonen welke dwalingen daardoor weerlegd worden; en op dezelfde manier zullen we aantonen dat wat we te weten komen, aantoonbaar in overeenstemming is met de christelijke religie.
3.2 Er is sprake van een tweevoudige waarheid (duplex veritatis modus) in wat we over God belijden. Sommige waarheden over God gaan boven het vermogen van de menselijke rede uit, zoals die dat God drievoudig is en een (trinum et unum). Maar er zijn enkele waarheden die ook de natuurlijke rede kan bereiken, zoals die dat God bestaat, dat hij een is, en dergelijke meer. En ja, zulke waarheden over God hebben ook de filosofen aangetoond en bewezen, daarbij geleid door het licht van de natuurlijke rede.
3.3 Het valt wel heel duidelijk in te zien dat onder datgene wat er van de goddelijke dingen te kennen valt, zich het een en ander voordoet dat de aard van het menselijk verstand verre overstijgt.
3.6 Daarmee stemt ook het gezegde van de filosoof overeen, namelijk dat ons verstand zich verhoudt tot de eerste beginselen van de zijnden als de ogen van de nachtvlinder tot de zon.[1]
3.7 En ook de heilige Schrift legt getuigenis af van deze waarheid. We lezen in Job: ‘Kun je soms de sporen van God begrijpen en de Almachtige volkomen achterhalen?’ (Job 11:7). En ook: ‘Zie, God is groot, hij gaat onze wetenschap te boven’ (Job 36:26). En Sint Paulus: ‘Wij kennen slechts ten dele’ (1 Korintiërs 13:9).

 Tweevoudige waarheid
De vraag is nu hoe men dat wat men gelooft, ‘omdat het boven het vermogen van de menselijke rede uitgaat’, verbindt men wat men langs de weg van de natuurlijke rede kennen kan. In zijn Summa theologiae noemt Thomas vijf wegen (quinque viae).

  1. Een eerste beweger die zelf niet bewogen wordt, als eerste oorzaak (prima causa) van alle beweging.
  2. Een eerste werkoorzaak die zelf niet wordt veroorzaakt.
  3. Een ‘zijn’ dat in zich noodzakelijk is, als oorzaak van alle ‘zijn’.
  4. Iets dat absoluut volmaakt is en zo alle ‘zijnden’ (alles wat is) normeert.
  5. Een absoluut doel of einde als oriëntatie voor wat alles wat is nastreeft.

Thomas trekt nu de volgende conclusies:

  1. Daaronder verstaan allen God.
  2. Wat allen met het naamwoord ‘God’ aanduiden.
  3. Wat allen God noemen.
  4. En dat noemen wij God.
  5. En dat noemen wij God.

Richard Rubenstein, Kinderen van Aristoteles, p. 250-251
De Aristoteles die Thomas zo fascineerde, was de filosoof die redelijkheid had ontdekt in de natuur. Zijn held was de kosmoloog die de bewegingen van de hemelse sferen observeerde en daaruit het bestaan van een Eerste Beweger afleidde, de bioloog die aanwijzingen vond voor een inherente bedoeling in de regelmatige ontwikkeling van levende organismen, de psycholoog die een fundamentele harmonie ontdekte tussen het menselijk verstand en de objecten waarop het zich richt. Voor Thomas leverde het universum zelf, door een aristotelische bril bekeken, het bewijs van het bestaan, de goedheid en de scheppende bedoelingen van God. Maar dat werd nu juist door de franciscanen ontkend, want hoe kan de mens in ’s hemelsnaam met behulp van menselijke concepten iets van Gods wil begrijpen, afgezien van wat God daarvan in de Heilige Schrift heeft geopenbaard? De Aristoteles die Duns Scotus en William van Ockham inspireerde, was de filosoof die leerde dat wat we werkelijk van de natuur afweten de afzonderlijke dingen of feiten zijn, niet de algemene begrippen. Het valt niet te bewijzen dat de relaties tussen deze dingen of feiten, die we beschrijven met algemene befrippen als ‘oorzaak’ en ‘soort’, bestaan op de manier waarop de afzonderlijke dingen bestaan. God schept het heelal, aldus William van Ockham, maar de patronen die we ontdekken als we abstract over geschapen dingen redeneren, zijn het product van onze denkprocessen en zeggen niets over de bedoelingen van God. Redelijkheid is geen eigenschap van de natuur die Gods ondoorgrondelijke wil gehoorzaamt, maar iets in onze eigen geest.

Hiermee was in één klap de moderne empirische wetenschap geboren – of althans verwekt. Want de natuurlijke verbanden die de waarneming en het verstand ons laten zien, zijn niet irreëel in de zin van illusoir of betekenisloos. Allerminst. Het gaat erom dat ze niet zeker zijn maar waarschijnlijk, niet noodzakelijk maar ‘contingent’, dat ze alleen natuurlijke processen kunnen verklaren, maar dat God er niet mee kan worden verklaard. William van Ockham had de door Thomas gepostuleerde band tussen onze geest en Gods geest doorgesneden.

Francesco Petrarca (1304-1374)
Op 26 april van het jaar 1336 beklimt Francesco Petrarca, in gezelschap van zijn broer en enkele bedienden, de Mont Ventoux, de kale, winderige berg in het zuiden van Frankrijk. Petrarca gaat de Ventoux niet op om ergens te komen, hij doet het ‘zomaar’, zoals hij later schrijft in een brief aan een monnik: ‘Louter uit begeerte om zijn hoogte nader in ogenschouw te nemen.’[2] Eenmaal boven aangekomen, ziet hij het landschap niet meer als ‘een symbool van Gods bedoeling en scheppingsmacht’, hij wil gewoon van het uitzicht genieten. Geen bedevaartganger, maar een toerist. 
Na enige tijd komt bij Petrarca de gedachte op Belijdenissen van kerkvader Augustinus (354-430) open te slaan, het boek dat hij altijd bij zich draagt. Hij leest de passage waarop hij het eerst zijn oog liet vallen (Belijdenissen X, 15):
En dan gaan de mensen er op uit om met verbazing te kijken naar hoge bergtoppen, naar de machtige golven van de zee, naar de brede stromen van de rivieren, de wijdheid van de oceaan en de banen van de gesternten, maar voor zichzelf hebben ze geen aandacht.

Petrarca schrijft dat hij met stomheid was geslagen toen hij dit las. Hij deed het boek dicht. ‘Ik was boos op mijzelf, omdat ik nog steeds aardse zaken bewonderde, terwijl ik toch allang, zelfs van de filosofen der heidenen, had kunnen leren dat “niets wonderbaarlijk is behalve de geest, en dat niets groot is vergeleken bij zijn grootheid”.’

Deze gebeurtenis, de beklimming van de Mont Ventoux, wordt wel gezien als het symbolische begin van een nieuwe levens- en wereldbeschouwing: het humanisme. Langzamerhand komt het accent minder te liggen op de verbinding tussen God en mens, en meer op die tussen mens en natuur, en die tussen mensen onderling.

Peter Raedts, De ontdekking van de Middeleeuwen, p. 33-34
Op paaszondag 8 april 1341 werd de dichter Francesco Petrarca op het Capitool in Rome door de voorzitter van de Romeinse senaat, Orso van Anguillara, met een lauwerkrans tot dichter gekroond. In zijn dankwoord vermeldt Petrarca dat deze plechtigheid daarom zo uitzonderlijk was, omdat zij op ‘iets uit legendarische tijden is gaan lijken en al sinds meer dan twaalfhonderd jaar in onbruik is geraakt, want de laatste van wie wij lezen dat hij dat eerbewijs heeft ontvangen, is de beroemde dichter Statius (ca. 45-96), die leefde ten tijde van Domitianus.’ (…)

Kijkend naar zijn eigen tijd en naar het directe verleden zag Petrarca een diepe, donkere afgrond die zich uitstrekte over meer dan duizend jaar, een hopeloze tijd die alleen maar ‘kwebbelkunstenaars’ had voortgebracht. De laureaat blikte nog verder terug, en in het verre, bijna legendarische verleden zag hij een periode ‘die voor dichters gelukkiger was en waarin ze hoog in aanzien stonden, eerst in Griekenland, later in Italië en daar vooral onder keizer Caesar Augustus, tijdens wiens regering briljante dichters bloeiden: Vergilius, Varius, Ovidius, Horatius en vele anderen’. Dat was de gouden tijd der klassieke letteren waarop mannen van beschaving hun aandacht moesten richten en die zij in ere moesten herstellen. Het meer recente verleden konden zij met een gerust hart aan de vergetelheid prijsgeven.

Hiermee verwoordde Petrarca een nieuwe houding tegenover het verleden. Tot dan toe was het verleden altijd gezien als een groot, ongedifferentieerd geheel waarin alles op elkaar betrokken was en alles in elkaar paste. Alle tijden waren even belangrijk en iedere tijd droeg op zijn eigen wijze bij aan het heilsplan van God met de mensheid, dat zich uitstrekte van de schepping van de wereld tot aan het laatste oordeel. Het was de taak van historici te laten zien hoe dat heilsplan zich ontwikkelde en hoe in iedere tijd opnieuw Gods leidende hand zichtbaar werd. In dat verleden was geen dichtbij en verderaf, perioden waarmee men zich meer of juist minder verwant voelde. Alles was even oud, ver weg en tegelijkertijd niet erg verschillend van het heden, want mensen waren altijd en overal hetzelfde. Er was dan ook geen behoefte om oude dingen te bewaren of ernaar te gaan kijken, tenzij ze een religieuze of andere waarde hadden, maar niet omdat ze oud waren.

Met Petrarca begon dit te veranderen. Allereerst was Petrarca niet bijzonder geïnteresseerd in geschiedenis als het verhaal van Gods handelen met de mensheid, ook al was hij een gelovig christen. Veel belangrijker was dat hij het verleden zelf in stukken brak en er een perspectief in aanbracht. Niet alle tijden waren hetzelfde, sommige waren waardevoller geweest dan andere. Donkere tijden, zoals de duizend jaar vanaf de val van Rome – dat wil zeggen de val van het Romeinse Rijk in het Westen in 476 -, konden maar beter vergeten worden; andere, zoals de klassieke Oudheid, moesten in de herinnering teruggebracht en tot nieuw leven gewekt worden. Petrarca was een van de eersten die zich ervan bewust werden dat heden en verleden van elkaar kunnen verschillen en dat er een kloof gaapte tussen de eigen tijd en de klassieke Oudheid. Juist hierdoor kon hij de eerste zijn die een oproep kon doen om terug te keren naar de verloren tijd van de Oudheid.

Giovanni Pico della Mirandola (1463-1494), Oratio de hominis dignitate/Oratie over de menselijke waardigheid
1 In Arabische geschriften heb ik gelezen dat aan de Saraceen Abdallah de vraag werd voorgelegd naar het meest bewonderenswaardige dat zogezegd het toneel van deze wereld te zien geeft. ‘Niets bewonderenswaardiger dan de mens’, was zijn antwoord. Giovanni Pico della Mirandola leerde Arabisch onder leiding van Juda Samuël ben Nissim uit Agrigento, vooral bekend als Flavius Mithridates.

2 En deze opvatting komt overeen met de bekende woorden van Mercurius: ‘Een groot wonder, Asclepius, is de mens.’ Zie Hermes Trismegistos, Asclepius 6.1-2. De zogeheten hermetische geschriften worden toegeschreven aan de Egyptische god Thot, in het Grieks Hermes Trismegistos, de uitvinder van het schrift, op één lijn gesteld met de Romeinse god Mercurius. Geschreven in Grieks en Latijn, worden deze geschriften gedateerd tussen de eerste en de derde eeuw n.Chr.

3 Toen ik de strekking van deze uitspraken overdacht, kwamen de vele argumenten die vaak worden aangehaald voor de superioriteit van de menselijke natuur mij voor als ontoereikend: dat te midden van de schepselen de mens de positie van middelaar inneemt, vertrouwd met het hogere en koning over het lagere; in staat de natuur te duiden met zijn zintuigen, zijn onderzoekende geest en het licht van zijn verstand; dat hij de onbeweeglijke eeuwigheid verbindt met de vluchtige tijd; dat hij, zoals de Perzen zeggen, degene is die de wereld bijeenhoudt, sterker nog, in een innig verbond verenigt, een wezen dat, naar het getuigenis van David, voor de engelen weinig onderdoet.

            De Perzen: mogelijk denkt Pico della Mirandola aan een ‘Chaldeeuwse’ bron.

David: aan wie Psalm 8 wordt toegeschreven waar over de mens wordt gezegd dat hij ‘weinig minder dan een God’ is. De Latijnse vertaling, de Vulgata, heeft ‘God’ veranderd in ‘engelen’.

4 Deze aspecten zijn belangrijk, zeker, maar niet doorslaggevend. Ze kunnen geen aanspraak maken op het voorrecht van de hoogste bewondering.

5 Want waarom zouden we dan voor de engelen en de gelukzalige hemelkoren niet een grotere bewondering hebben?

6 Ik geloof dat ik uiteindelijk begrepen heb waarom de mens van alle levende wezens de gelukkigste is en dus in elk opzicht bewondering verdient, en welke bijzondere plaats hem in de ordening van het heelal ten deel is gevallen, een plaats die niet alleen de redeloze dieren, maar de sterren en boven-wereldlijke geesten hem kunnen benijden. Boven-wereldlijke geesten: de engelen die boven de mens zijn gesteld, maar niet over diens vrijheid beschikken.

7 Iets wonderlijks is het, iets ongelooflijks.

8 En hoe zou het anders kunnen? Want als de mens terecht een groot wonder wordt genoemd en geldt als een werkelijk bewonderenswaardig wezen, dan is het om deze reden.

9 Luister, vaders, waarom het hier gaat, en schenk aan mijn woorden de welwillende aandacht die van uw mildheid verwacht mag worden.

10 Reeds had God de Vader, de opperbouwmeester, naar de wetten van een verborgen wijsheid aan de magistrale tempel van zijn goddelijkheid – het huis dat deze wereld is die wij zien – de laatste hand gelegd.

11 De ruimte boven de hemel had hij met geesten getooid, de sferen in de ether levend gemaakt met eeuwige zielen en de delen van de lagere wereld, waar het afval zich verzamelt en afscheiding plaatsvindt, met een bonte menigte dieren bevolkt.

12 Maar toen de kunstenaar zijn werk had voltooid, verlangde hij dat er iemand zou zijn die in staat was om van een enorm werkstuk als dit de samenhang te beschouwen, de schoonheid lief te hebben en de uitgestrektheid te bewonderen.

13 Daarom dacht hij pas op het laatst toen alles al af was, zoals Mozes en Timaeus getuigen, aan de schepping van de mens.

Mozes: staat hier voor de Thora, de eerste vijf boeken van de Hebreeuwse bijbel. Het eerste boek, Genesis, begint met het scheppingsverhaal. Voor de schepping van de mens op de zesde dag zie Genesis 1:26-28.

Timaeus: een dialoog van Plato; zie vooral Timaeus 41b-d: de goddelijke ambachtsman en schepper – demiurg – meent dat zijn schepping onvolledig zou blijven zonder wezens die voor een deel ook onsterfelijk zijn. De mens is geschapen als laatste van alle zijnden, als een mengsel van sterfelijkheid en onsterfelijkheid. Zie ook Timaeus van Locri, De nautura mundi et animae 99d.

14 Maar onder de oer-modellen was er geen om een nieuwe afstammeling naar uit te beelden, in de schatkamers lag niets om aan de nieuwe zoon als erfdeel mee te geven en op de banken van de hele wereld was voor deze beschouwer van het heelal geen zitplaats meer over.

De oer-modellen: de Latijnse tekst heeft archetypis; de terminologie gaat terug op die van Plato (paradeigma bijvoorbeeld), met dit verschil dat in de Griekse scheppingsmythe al het geschapene, inclusief de mens, een kopie is van een origineel dat bestaat in de eeuwige, onstoffelijke wereld, als pure ‘idee’. Bij Pico della Mirandola is de mens, als in het bijbelse verhaal, zelf een originele schepping.

15 Alles was al bezet. Alles was verdeeld over de hoogste, de middelste en de laagste rangen.

16 Het zou evenwel niet in overeenstemming geweest zijn met de almacht van de Vader om in de laatste ogenblikken van de scheppingsdaad door uitputting als het ware in gebreke te blijven. Het zou niet stroken met zijn wijsheid om zich in een kritieke situatie geen raad te weten en besluiteloos te zijn. En het zou niet passen bij zijn weldadige liefde dat degene die geroepen was om de goddelijke vrijgevigheid in de rest van de schepping te prijzen, gedwongen zou worden die ten aanzien van zichzelf te miskennen.

17 Uiteindelijk besloot de algoede ambachtsman dat degene die niets in exclusief bezit kon ontvangen, deel zou hebben aan alles wat de anderen ieder afzonderlijk toegewezen was.

            De anderen: de andere schepselen.

18 Aldus nam hij de mens, een werkstuk zonder vastomlijnde gedaante, plaatste hem in het middelpunt van de wereld en sprak hem als volgt toe:

‘Aan jou, Adam, hebben wij niet een vaste verblijfplaats, niet een eigen gezicht of een bepaalde gave in het bijzonder gegeven; het is de bedoeling dat jij de verblijfplaats, het gezicht en de gaven die je zelf verkiest naar je eigen wens en inzicht, zult verkrijgen en bezitten.

19 De natuur van de anderen ligt vast en wordt binnen door ons voorgeschreven wetten beteugeld.

20 Jij bent aan geen enkele beperking onderworpen. Jij zult voor jezelf je natuur bepalen naar je eigen vrije wil waaraan ik je heb toevertrouwd.

               Naar je eigen vrije wil: pro tuo arbitrio in het Latijn.

21 Midden in de wereld heb ik jou geplaatst, zodat je van daaruit alles wat er om je heen in de wereld is gemakkelijker kunt bekijken.

22 Ik heb je niet hemels en niet aards, niet sterfelijk en niet onsterfelijk gemaakt. Als vrij en soeverein kunstenaar moet jij als het ware je eigen beeldhouwer zijn en jezelf uitbeelden in de vorm die je verkiest.

Het beeld is in deze vorm ontleend aan Plotinus, Enneaden I.6, 9, waar de schoonheid van de ziel wordt voorgesteld als het zorgvuldige, nooit voltooide werk van een beeldhouwer.

23 Je kunt ontaarden in de lagere vormen, de dierlijke, maar je kunt je ook door eigen wilsbesluit herboren worden in de hogere vormen, die goddelijk zijn.’

               Door eigen wilsbesluit: ex tui animi sententia in het Latijn.

24 Wat een uitzonderlijk vrijgevigheid van God de Vader en wat een uniek en wonderbaarlijk geluk van de mens! Het is hem gegeven te hebben wat hij verlangt en te zijn wie hij wil.

25 De dieren dragen vanaf hun geboorte ‘uit de buidel van hun moeder’ – om met Lucilius te spreken – de dingen mee waarover ze beschikken.

               Lucilius, Saturae 6.22.

26 De hoogste geesten waren vanaf het begin, of korte tijd daarna, op wat ze in alle eeuwigheid zullen blijven.

27 Maar in de mens heeft de Vader bij de geboorte veelsoortige zaden neergelegd en de kiemen van elk soort leven.

28 En het zijn de zaden die eenieder in cultuur brengt, die tot wasdom zullen komen en in hem hun specifieke vruchten brengen.

29 Zijn ze vegetatief, dan wordt hij een plant. Zijn ze zinnelijk, dan wordt hij een dier. Zijn ze verstandelijk, dan ontstaat een hemels wezen. Zijn ze geestelijk, dan wordt hij een engel en een zoon van God.

               Een engel en een zoon van God: zie Jamblichus, Protrepticus 5.

30 En als het lot van geen enkel schepsel hem kan behagen en hij zich terugtrekt in het centrum van zijn eenheid, met God één geest geworden, zal hij in de eenzame ondoorgrondelijkheid van de Vader, van hem die boven alles gesteld is, boven allen staan.

vertaling Michiel Op De Coul

 

Rudolf Boon, Hebreeuws Reveil, p. 62-63
De studie van hebraïca en qabbalistica heeft voor Pico’s verdere levensloop ingrijpende gevolgen gehad. Te Rome maakt hij zijn Negenhonderd Gevolgtrekkingen bekend. Hij hoopt met deze stellingen over de voornaamste theologische en wijsgerige vraagstukken van zijn tijd aan de wereld der geleerden een dispuut te ontlokken. Stof tot een gedachtewisseling biedt Giovanni te over. In zijn stellingen wil hij de neiging onder humanisten doorbreken om zich op te sluiten in de wereld van de klassieken uit de Griekse en Romeinse Oudheid. Hij herinnert aan het waardevolle dat bij kerkvaders en scholastieken te vinden is. Hij vraagt aandacht voor de bijdrage die de Arabische filosofen hebben geleverd aan de westerse wijsbegeerte, wijst op het werk van Joodse exegeten en Talmoedisten, en legt nadruk op de bijzondere betekenis van de Qabbalah voor het christelijk geloof.

 Erasmus aan Wolfgang Fabritius Capito, brief gedateerd 26 februari 1517
Alles belooft mij gelukkige vooruitzichten. Alleen één ding bezwaart mijn geest: de vrees dat onder de dekmantel van de wedergeboorte der oude letterkunde het paganisme het hoofd zal trachten op te steken, daar er onder de christenen zijn die in naam wel Christus erkennen, maar die overigens van binnen van een heidense geest zijn doortrokken óf dat onder de invloed van de wedergeboren Hebreeuwse letteren het judaïsme van de gelegenheid zou weten gebruik te maken tot nieuw leven te geraken. Niets is meer in strijd met Christus’ leer noch staat haar zo vijandig tegenover als dit euvel. Zo toch is de aard der menselijke aangelegenheden, dat nimmer enig goed zulk een zegen verspreidde of tegelijk probeerde onder zijn bescherming iets kwaads binnen te sluipen.

vertaling O. Noordenbos en Truus van Leeuwen

1518: Drie-talen-college in Leuven – Latijn, Grieks, Hebreeuws
Aan de vooravond van de zestiende eeuw was het humanistisch-literaire ideaal dat van de homo trilinguus, de ‘drietalige mens’.

Een vooraanstaande inspirator was de Joodse taalgeleerde Elia ben Asjer ha’Levi, onder zijn christelijke leerlingen bekend als Elias Levita (1469-1549).

Het dilemma voor een Joodse leraar met christelijke leerlingen: zal de opgedane kennis van Hebreeuws en rabbijnse bronnen zoals de Talmoed door de leerlingen worden uitgespeeld tegen de Joden?  Aan de kant van de christen-hebraïsten leefde de gedachte dat hun kundigheid de bekering van Joden tot het christendom zou helpen bevorderen.

[1]             Aristoteles, Metafysica II 1, 993 b 9.

[2] Francesco Petrarca, Epistolae familiares/Vertrouwelijke brieven IV, 1.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *